Beslissingen nemen off-piste, deel 2

Beslissingen nemen off-piste, deel 2

Beslissingen nemen off-piste, deel 2

Deel 2 – Hoe beslissen we?

We gaan ervan uit dat je op de een of andere manier bewust bent geworden van het feit dat off-piste skiën en snowboarden een heleboel lol én ook risico met zich meebrengt. Je bent vrij te beslissen of je dat risico accepteert, dus (ver-)oordeel niet te snel. Iemand die op de piste blijft, accepteert ook een bepaald risico. En ook daar zijn er risico reducerende maatregelen te bedenken. Je zou bijvoorbeeld die laatste zwaar verspoorde dalafdaling aan het einde van de dag eens links kunnen laten liggen en gewoon met de gondel naar beneden kunnen gaan.

We kunnen onbewust en bewust beslissen om het risico van off-piste skiën of snowboarden te accepteren. Over de onbewuste manier van beslissen ga ik niet veel zeggen, behalve dat het gelukkig vaak goed gaat. Zie mijn vorige artikel Wat beslissen we? Er is al een hele stap genomen als jij de volgende keer dat je off-piste wilt gaan, bewust nadenkt over het risico van de afdaling die jij overweegt. Een beetje risico is voor veel mensen acceptabel, maar het moet niet teveel worden. “No risk, no fun”. Maar hoe zorg je nou dat het risico relatief laag blijft? Voor een leek die bovenaan een helling staat, is het onmogelijk om te zien hoe groot het risico van een off-piste afdaling is. Want één van de moeilijkheden is dat je altijd op een sneeuwdek neerkijkt en zelden of nooit erin. En juist in het hele sneeuwdek – van de bodem tot bovenop – kunnen er problemen zitten.

 

Beslis-strategieën

Daar sta je dan met je goede bedoelingen. Je hebt niet de kennis en kunde in huis om problemen in het sneeuwdek te herkennen, je wilt graag off-piste rijden, maar toch ook weer heelhuids thuiskomen. Kan je iets doen om met een relatief laag risico toch te freeriden? Gelukkig is hierop het antwoord: ja dat kan! Er zijn zogenaamde beslis-strategieën, die je helpen om weg te blijven uit terrein met een hoog risico.

Het is in theorie makkelijk uit te leggen, maar in de praktijk is het niet zo eenvoudig en vergt zeker (veel) oefening. Met een beslis-strategie hoef jij niet zelf binnenin het sneeuwdek te kijken, maar moet je je houden aan bepaalde limieten. Die limieten hebben betrekking op het terrein waarin jij je kunt begeven en volgen uit het voor die dag en regio uitgegeven lawinebericht. Door je aan die limieten te houden wordt wel je speelruimte beperkt, maar je houdt het risico acceptabel laag. Wel blijft er altijd een rest-risico.

De grondlegger van één van die strategieën is de Zwitserse berggids Werner Munter. Munter had als doel om het aantal dodelijke lawine-ongelukken te beperken en heeft de reductiemethode (RM) bedacht. Zijn idee hierachter was om op een zo makkelijk mogelijke manier, zoveel mogelijk ellende te voorkomen. Er zijn ook andere beslis-strategieën op de markt, die eigenlijk allemaal gebaseerd zijn op zijn reductiemethode, al dan niet met aanvullingen. Hieronder een opsomming:

  • Elementaire Reductiemethode1 (ERM, Munter)
  • Grafische Reductiemethode2,3 (GRM, SLF)
  • Stop or Go4,5 (Österreichischer Alpenverein)
  • Snowcard6 (Deutscher Alpenverein)

De elementaire reductiemethode – een goed begin

Om de Elementaire Reductiemethode te kunnen gebruiken, pak je het geldende lawinebericht erbij, dat in bijna alle regio’s van de Alpen iedere dag wordt uitgegeven. In het lawinebericht wordt, op een schaal van vijf treden, het gevarenniveau (Duits: “Gefahrenstufe”) door middel van een kleur, een getal of met woorden aangegeven, zie Figuur 1.

Figuur 1. De 5 gevarenniveaus, met bijbehorende kleuren en symbolen.

 

Een beetje kort door de bocht: hoe hoger het gevarenniveau, des te meer en groter het gevaar om je heen. Daarbij geldt dat gevarenniveau 2, dubbel zo gevaarlijk is als gevarenniveau 1. Dit zien we duidelijker in Figuur 2.

Figuur 2. Lawinegevaar als functie van gevarenniveau.

 

Meer gevaar en groter gevaar betekent meer risico. Hoe zorg je er nu voor dat je niet komt op plekken met een hoog risico? Volgens de elementaire reductiemethode kun je dat doen door de steilheid van het terrein waarin jij je begeeft, te beperken. Afhankelijk van het uitgegeven gevarenniveau is er een maximum steilheid:

  • Gevarenniveau 2 – blijf onder de 40°
  • Gevarenniveau 3 – blijf onder de 35°
  • Gevarenniveau 4 – blijf onder de 30°

 

Dat is alles. Als je dit doet, dan blijft je speelruimte al beperkt tot de groene en de oranje zone in Figuur 3. Hierbij staat groen voor gering risico en relatief veilig, mits er geen gevarentekens zijn. In oranje bestaat al verhoogd risico. De oranje zone is echt af te raden voor mensen met geen of weinig ervaring, kennis en kunde. Om het risico nog lager te houden, wordt zeker aan beginners geadviseerd om onder de stippellijn te blijven – dus 5 graden minder steil. Ook wordt bij gevarenniveau 4 vaak geadviseerd om alleen op geopende pistes en/of geopende skiroutes te blijven, want bij de omstandigheden waaronder gevarenniveau 4 wordt afgegeven, is daar meestal al genoeg lol en poeder (veilig) te vinden.

Ik moet hierbij wel eerlijk toegeven, dat de kleurschakering in deze figuur niet echt een wetenschappelijke basis heeft. In een wetenschappelijke publicatie van Christian Pfeifer7 is meer over risico en gevarenniveau’s te vinden.

Figuur 3. Grafische weergave van de elementaire reductiemethode.

Steilheid van het terrein

Waar in het terrein moet je kijken

Misschien heb je je in de vorige paragraaf al afgevraagd hoe je nu eigenlijk de steilheid van een helling bepaald. Dat is een goeie vraag en het antwoord daarop is niet geheel voor de hand liggend. Als je namelijk heel precies en op kleine schaal gaat kijken, dan vind je in ieder helling wel stukjes die steiler zijn dan 45°, al is het maar een brok sneeuw. Zo precies hoef je echter niet te kijken. Je moet naar de gemiddelde steilheid van een stuk terrein van minimaal 20 bij 20 meter, of 20 hoogtemeters, kijken.

Moet je daarbij altijd van de helling af naar beneden kijken? Of moet je ook kijken wat er boven je zit? Ook dat is een goeie vraag. Hoe ver je om je heen moet kijken, om het steilste stuk helling te vinden, is afhankelijk van het uitgegeven gevarenniveau.

  • Bij gevarenniveau 1 – rondom jouw spoor
  • Bij gevarenniveau 2 – 20 meter rondom jouw spoor
  • Bij gevarenniveau 3 – de hele helling (dus ook de helling boven jou)
  • Bij gevarenniveau 4 – de hele helling en aansluitende hellingen

Hoe meet je de steilheid?

Eén van de minder verstandige dingen is het opmeten van de steilheid terwijl je in een risicovolle helling staat. Het is beter om goed te worden in het schatten van de steilheid van hellingen op een afstand. Om daar goed in te worden kun je eerst de steilheid in hellingen met heel weinig risico inschatten en naderhand opmeten. Hierbij is het handig om te denken in steilheidsklassen, in plaats van op de graad nauwkeurig:

  • Minder dan 30° (hellingshoek < 30°)
  • Tussen 30° en 35° (30 ≤ hellingshoek < 35°)
  • Tussen 35° en 40° (35 ≤ hellingshoek < 40°)
  • Steiler dan 40° (hellingshoek ≥ 40°)

Daarnaast gelden er een aantal vuistregels:

  • Terrein waar het sneeuwdek niet meer aaneengesloten is en waar de rotsen doorheen steken, is in de regel 40° of steiler. Duits: “felsdurchsetzt”, zie Figuur 4.
  • Terrein met een aaneengesloten sneeuwdek onder een steile rotswand, of onder “felsdurchsetzt” terrein, is in de regel rond de 35°. Soms worden dit soort hellingen ook wel “aansluithellingen” genoemd.
  • Terrein waar tourskiers die omhoog lopen zogenaamde “Spitzkehren” gaan maken, is in de regel 30° of steiler. Spitzkehren zijn de scherpe richtingswisseling om zigzaggend een steile helling omhoog te kunnen lopen. Door de steilheid is het niet meer mogelijk om “ronde bochten” te lopen. Zie voor een voorbeeld Figuur 5.

Figuur 4. “Felsdurchsetzt” terrein met daaronder “aansluithellingen”.

Figuur 5. Terrein waarin een tourskier of splitboarder “Spitzkehren” moet maken, is in de regel 30° of steiler.

Opmeten:

 

Beperkingen van de Elementaire Reductiemethode

Ondanks de eenvoud van deze methode zitten er een paar addertjes onder het gras.

Gevarenniveau. Het blijkt in de praktijk niet makkelijk te bepalen wat het gevarenniveau is. Ten onrechte wordt er toch nogal eens een lager gevarenniveau gehanteerd voor de niet als kritisch aangemerkte delen (dus de gunstige delen) van het  terrein. Dit mag alleen als de lawinedienst dit expliciet vermeld in het lawinebericht! De als kritisch aangemerkte delen van het terrein – dit betreft bepaalde hoogtes en hellingsrichtingen en kun je terugvinden in het lawinebericht – zijn soms moeilijk om terug te vinden in het terrein. Een helling kan bijvoorbeeld meerdere richtingen hebben, denk bijvoorbeeld aan een geul waarbij de wanden toch echt een andere kant op “wijzen”. Mijn oplossing hiervoor is: weet je het niet zeker, ga dan van de meest ongunstige situatie uit. En zoek sowieso nooit de limiet op in de als kritisch aangemerkte delen van het terrein!

Steilheid. Het is ook niet makkelijk te bepalen hoe steil een helling is. Moet je daarbij heel precies kijken naar ieder klein richeltje? Nee, je moet kijken naar de steilheid van een stuk dat minnimaal 20 meter lang en 20 meter breed is, of een minimaal hoogteverschil van 20 meter.

Situaties. Voor bepaalde lawinesituaties is de Elementaire Reductiemethode minder goed te gebruiken. Dit zijn de Triebschnee en de Nassschnee situatie. In het geval van Triebschnee situatie, kun je er beter voor zorgen dat je Triebschnee uit de weg gaat. In het geval van een Nassschnee situatie, moet je zorgen dat je op tijd terug bent. Dus terug voordat deze situatie een probleem wordt. Klik hier voor meer info over de typische lawinesituaties.

Dan nog een laatste noot. Zonder ook maar iets over sneeuw en haar eigenschappen te leren, heb je nu een methode gekregen waarbij je jouw risico off-piste kan beperken. En dat is eigenlijk wel een beetje raar. Wees je hiervan bewust en leg alarm- en gevarentekens nooit of te nimmer naast je neer, ook al blijf je binnen de limiet. Dus als je verse lawines ziet liggen of afgaan, scheuren in het sneeuwdek ziet ontstaan, “Wumm-Geräusche” hoort, zeg dan nee en draai je om. Een bewuste nee-beslissing geeft ook een voldaan gevoel.

Er is nog meer kritiek bij te plaatsen, maar als je je bedenkt waar de elementaire reductiemethode voor bedoeld is, dan is het naar mijn mening een prima start.

Let wel op: verantwoord freeriden omvat veel meer dan alleen toepassing van bovenstaande reductiemethode. Wil je meer weten of leren, volg dan bijvoorbeeld de wePowder Safety Academy online, doe een cursus bij het Snow Safety Center, of informeer bij mij wat de mogelijkheden zijn.

Fijne winter en be safe!

Referenties

  1. Werner Munter. 3×3 Lawinen – Risikomanagement im Wintersport.
  2. Stephan Harvey. Lawinenkunde – Praxiswissen für Einsteiger und Profis zu Gefahren, Risiken und Strategien.Bruckmann (2014).
  3. In het foldertje “Achtung Lawinen!”, uitgegeven door het SLF, staat een schat aan informatie. Daarin staat onder andere ook de grafische reductiemethode. Online te vinden op:
    https://www.slf.ch/de/publikationen/achtung-lawinen.html
  4. Michael Larcher. Stop or Go [2012]. Berg und Steigen 4, 54-63 (2012).
  5. Walter Würtl, Michael Larcher. Stop or Go – Risikomanagement auf Skitour. Österreichische Alpenverein (2009).
    Voor een voorbeeld: http://www.alpineausbildung.at/download/stop_or_go_auswahl.pdf
  6. https://www.alpenverein.de/bergsport/sicherheit/winter/dav-snowcard_aid_10619.html
  7. Christian Pfeifer. On probabilities of avalanches triggered by alpine skiers. An empirically driven decision strategy for backcountry skiers based on these probabilities. Hazards 48, 425-438 (2009).

About the Author